Op een zondagochtend begin juli kreeg de meldkamer een telefoontje van een bezorgde bewoner uit de Galileïstraat in Den Haag. Al sinds zaterdagavond hoorde hij gefladder achter zijn keukenkast. Een vogel was via de open tuindeuren naar binnen gevlogen en sindsdien spoorloos. Tot het geritsel achter het aanrecht zijn schuilplek verried.
Chauffeur René en bijrijder Tanja gingen op zoek naar de onzichtbare huisgast. Het gefladder klonk nu en dan op: paniekerig, maar levendig. René klom op een keukentrapje – stevig vastgehouden door de bewoner – om poolshoogte te nemen. En ja hoor; onderin achter de kast, zat een merel, beduusd, verfrommeld en met grote ogen in het duister.
Het probleem: de vogel zat achter de plint, onbereikbaar voor mensenhanden. Gelukkig zat er een kleine kier, net groot genoeg om er een vork tussen te steken. Daarmee peuterde René voorzichtig tussen de kast en de plint, en wrikte het latje los. Plots was er ruimte – en vrijheid.
De merel twijfelde geen seconde. Hij schoot als een pijl uit de kast, landde midden op de eettafel, hupte onder een barkruk door en vloog vervolgens naar buiten, de binnentuinen in. Weg was hij. Alsof hij alleen maar even binnen was geweest om te kijken hoe mensen wonen.
Beeldmateriaal; Dierenambulance Den Haag. Vrij te gebruiken.




