Op vrijdag 4 juli is het al weer wat koeler in Den Haag, na een paar flink hete dagen. Toch lijkt het erop dat een Haags molletje door de warmte is bevangen.
Die vrijdag komt er een melding binnen over een hele kleine mol. Het beestje ligt in het gras in het Haagse bos. De melder vertelt dat hij nog leeft, maar dat het diertje heel zwak lijkt te zijn. Onze chauffeur Jurre kan gelukkig goed overweg met de grote ambulance en manoeuvreert behendig de grote auto over de smalle paadjes van het prachtige bos.
Op locatie aangekomen ziet hij dat het molletje inderdaad erg zwak is. Hij legt het diertje met het zwarte fluwelen vachtje snel in een transportkooi en brengt hem naar de Wildopvang Haaglanden. Daar zal hij vast verwend worden met een paar dikke regenwormen, zodat hij weer aan kan sterken. Daarna kan hij hopelijk weer snel zelf tunneltjes gaan graven en op jacht gaan in de bodem van het Haagse bos.
De mol heeft grote voorpoten. Deze hebben elk vier vingers en een duim met puntige nagels, waarmee hij heel goed kan graven. De mol heeft kleine, slecht ontwikkelde ogen, maar hij is niet blind. Hij heeft een spitse, slurfvormige roze snuit met hele gevoelige snorharen. De mol komt overal voor waar je in de grond kunt graven. Maar dan moet de bodem niet te zandig, te nat of te stenig zijn. En natuurlijk moeten er voldoende regenwormen zijn. Dat is zijn voornaamste voedsel. Daarnaast eet hij ook insecten en hun larven, spinnen en slakken en soms kleine gewervelde dieren, zoals jonge muizen. Per dag eet de mol 50 % van zijn lichaamsgewicht, wat neerkomt op ongeveer 50 gram. In het voor- en najaar legt de mol een voedselvoorraad aan van regenwormen, die worden opgeslagen in ondergrondse kamers. Wanneer de bodem droog is, komt de mol aan de oppervlakte om naar water te zoeken.
Beeldmateriaal: Dierenambulance Den Haag. Vrij te gebruiken.




